Rob van Essen kiest voor … ‘Eng’ van Sanne Aletta van Otten

‘Eng’ van Sanne Alette van Otten in #40 (des)illusie.
Links: Adelheid De Witte, Festival Entrance, 2018, olieverf op hout, Ø 50 cm.

Rob van Essen koos als peter van #40 (des)illusie twee teksten die zijn oog vingen. We laten Sanne Aletta van Otten de spits afbijten met haar verhaal ‘Eng’, een echte nagelbijter! Dit is wat Rob over haar schrijfel te zeggen heeft:

Rob met ‘Eng’.

“Om een dorpje waarin vreemde, onmogelijk vreemde mensen schijnen te wonen de naam ‘Eng’ mee te geven, en er dan ook nog je verhaal naar te vernoemen, dat getuigt van het soort schrijverslef waar ik wel van hou. Het is zo’n verhaal dat meteen al een beetje klassiek lijkt wanneer je het leest. Namen die in je opkomen: Paul Auster, Borges, Kafka. Naam die je onthoudt: Sanne Aletta van Otten.

Wel denk je na de laatste regel: ja maar nu begint het toch pas? Noem dit geen verhaal, noem dit hoofdstuk 1 en vertel hoe het verder gaat! Maar dit is het, hiermee moeten we het doen. Begin nog eens van voren af aan, zó gaat het verder, want als je het nog eens goed bekijkt, blijkt hoe associatief dit verhaal volgt uit het zwijgen van Lev en de vragen die de verteller zich stelt. Dit, beste lezer, is het hele verhaal en het is een goed verhaal.


Benieuwd waarom Rob zo’n lovende woorden liet optekenen?
Hieronder kan je alvast de eerste twee pagina’s lezen:

Engdoor Sanne Aletta van Otten

Omdat Lev weer eens had besloten niet tegen me te praten, had ik de auto genomen en was ik wat gaan rondrijden. Altijd als het tot een conflict kwam, besloot hij te zwijgen, alsof hij in alle woorden wapens zag die onmiddellijk moesten worden neergelegd. Dat kon soms dagen duren. Zijn moeder had me tijdens een familiediner verteld dat hij, toen hij vijf jaar oud was, van de ene dag op de andere was gestopt met praten en dat twee jaar lang had volgehouden. Wat de reden voor zijn zwijgen was, was ze nooit achter gekomen. Ze had mijn arm stevig vastgepakt en gezegd dat ik voorzichtig met hem moest zijn. Hij was een gevoelig mens. Dat zijn we toch allemaal, dacht ik, maar ik hield wijselijk mijn mond.

Ik reed richting het oosten, waar de Alpen daalden en overgingen in een glooiend heuvellandschap. Ik wilde de horizon zien. We woonden al bijna twee jaar in Innsbruck en nog altijd was ik niet gewend aan de bergen, die als hoge rotsachtige wezens de stad omsloten en de mensen in zichzelf deden keren. De weinige vrienden die ik had waren expats. Oostenrijkers waren te stug om vriendschap mee te sluiten. Zij droegen hun huid als een harnas. Lev had er geen last van. Hij had zijn studie, de reden waarom we überhaupt naar Oostenrijk waren verhuisd. Hij promoveerde op een onderzoek naar een bepaalde Alpenbloem, die door de vermindering van het aantal wilde bijen zichzelf was gaan bestuiven.

Na een uur rijden begon ik honger te krijgen. Het was al tegen de avond en ik had er niet aan gedacht om iets te eten mee te nemen, dus stopte ik in het eerste dorp dat ik tegenkwam en ging ik op zoek naar een bakker. Hoewel het nog voor zessen was, waren alle winkels al gesloten en zaten overal de luiken al voor de ramen. Alleen achter de kanten gordijntjes van het dorpscafé brandde nog licht. Dat was het enige wat ik leuk vond aan Oostenrijk: de cafés met de met lambriseringen beklede muren en plafonds, de geruite tafellakens, de zware houten meubels en al die knullige decoraties. Er zaten een paar mannen in de zaal en een man aan de bar. De ober zat in een hoek op een barkruk voor zich uit te staren. Allemaal zagen ze eruit alsof ze aan hun plaats waren vastgegroeid, als elvenbankjes aan een boomstam. Hun wollen vesten hadden zelfs de kleur van het hout aangenomen. Ik ging naast de man aan de bar zitten en bestelde een tarwebier. 

‘Jij bent niet van hier,’ zei de barman, die een langgerekt gezicht had. Het had iets weg van het hertenhoofd dat achter hem aan de muur hing. Typisch iets voor een Oostenrijker om zijn gast zo te ontvangen. Ik had geen zin om erop in te gaan en zocht naar de kaart. 

‘Hebben jullie ook iets te eten?’ vroeg ik. 

Ik kon een Leberkässemmel krijgen, een Kaiserbroodje met een walgelijk stuk vlees. Alleen omdat mijn honger ondragelijk was geworden en ik geen uitzicht had op iets beters, bestelde ik er een.             De man naast me had zich nog niet bewogen. Hij zat voorover leunend naar zijn glas te staren, waar nog een klein bodempje okerkleurige drank in zat. Ik besloot dat ik geen zin had in een gesprek met deze twee. 

Sanne Aletta van Otten.

‘We hadden het net over Eng,’ zei de barman, toen hij zag dat ik opstond om aan een tafeltje te gaan zitten.

‘Wat is Eng?’ vroeg ik. 

‘Een almdorp. Daar woont raar volk.’

‘Hoezo?’ 

‘Hoe gaan we haar dat uitleggen?’ De barman keek grijnzend naar de man naast me.

‘In Eng spreken de mensen al heel lang niet meer met mekaar,’ zei de man, zonder zich naar mij toe te draaien.

(…)


De rest van dit verhaal lees je in #40 (des)illusie!

Je kon eerder ook al werk lezen van Sanne Aletta van Otten in #38 Het belang van het irrelevante. Toen verscheen haar verhaal ‘De badkamer’. Voor de lancering van #38 deed ze mee met Literaire Schurft in de ether – vanaf 21:30 leest ze gedeeltelijk haar verhaal ‘De badkamer’ voor.

Dit bericht delen