Nele Van den Broeck kiest voor … ‘Polymeer’ van Lieven Stoefs

Meter Nele Van den Broeck koos twee favoriete teksten uit #38 Het belang van het irrelevante. Als eerste presenteren we je ‘Polymeer’ van Lieven Stoefs. (Te lezen onder de foto. Of toch voor een stuk.) Dit had ze over deze tekst te zeggen:

Wat ik zo mooi vind aan Polymeer is dat het aantoont dat er in alles poëzie te vinden is. Het deed mij denken aan deze quote uit Zen or the Art of Motorcycle Maintenance:

“The Buddha, the Godhead, resides quite as comfortably in the gears of a cycle transmissions as he does at the top of a mountain. To think otherwise is to demean the Buddha – which is to demean oneself.”

Hou Roergebied in de gaten om de tweede keuze van Nele te ontdekken.

Polymeer

De allereerste keer dat zo’n hand voorbij flitste, lette ik er niet op, overtuigd dat ik me vergist had. Pas de derde of vierde maal dat het gebeurde, besefte ik dat ik me niets had ingebeeld. Vanaf toen trachtte ik bij elke kans een glimp op te vangen van het rampgebied.

Bij een begroeting of kort gesprek, probeerde ik mijn hoofd zo onopvallend mogelijk te houden en te gluren naar het onherkenbare vlees. Naar de misvormde hand die wiegde bij het vertellen. Ik hoopte de ontmoeting te rekken, de juiste vragen te stellen om een geestdriftig antwoord uit te lokken. Af en toe had ik dan geluk: de man vergat zijn schroom en liet de hand gesticuleren, waarna ik haar ongegeneerd in volle glorie kon bekijken.

Bij heel wat arbeiders ontbraken zo één of meerdere vingers. Nu eens een wijsvinger, of een pink, bij één onfortuinlijke man drie aan dezelfde hand. Er waren tengels die nog uit twee kootjes bestonden en pechvogels van amper een centimeter lang. Andere vingers misten slechts een topje. Een halve nagel klampte zich verweesd vast aan de restanten, als een wanhopige alpinist aan een door een lawine weggevaagde bergwand.

Eens ik ze ontdekte, werd mijn zicht steeds op magnetische wijze naar de stompjes gezogen. De manier waarop de huid genas en verder groeide ter hoogte van het snijvlak trok het meest aan me. Glanzend rozig vlees met donkere vlekken, eeuwig stram ondanks de honderden strelen die de andere, intacte hand haar elke dag gedachteloos gaf. Of  vaalgeel met rode vegen, grillig wassend vel, niet goed wetend welke kant op.

Af en toe ving ik een fragment op van hoe de vingers gesneuveld waren. Bij nietsvermoedende handelingen, misschien tijdens gedachten aan geliefden. Bij Marcel toen hij resten plastiek uit de extruderschroef aan het schrapen was en het toestel plots weer inschakelde. Of Léon die onoplettend de razendsnel draaiende as van een pomp raakte. Vernuftige, blinkende machines die zo mooi en vloeiend bewegen, totdat ze plots op weerstand stuiten.

Uit het gedrag van de anderen trachtte ik de onzichtbare codes te ontcijferen. Bij de eerste ontmoeting van de dag diende men elke collega in de fabriek een handdruk te geven. Impliciet was het de bedoeling om te onthouden wie van de tientallen anderen ik die dag al had gegroet. Ik zocht hulpmiddelen om deze taak te verlichten. Een namenlijst met foto’s die ik kon afvinken, een denkbeeldige versie van het spel ‘Wie is het?’ waarop ik de hoofden van alle reeds  ontmoete collega’s mocht neerklappen.

Binnen die afspraak heersten bijkomende regels die concentratie vergden. Zo was er de kwestie of het wenselijk of nodig was om alle aanwezigen bij de dagelijkse productievergadering een hand te geven bij het binnenkomen. Sommigen maakten zich er snel vanaf met een knik en een snel geopperde begroeting maar zekerheid over de draagwijdte hiervan kreeg ik nooit.

Soms gaf ik per ongeluk een tweede handdruk aan een al eerder begroet persoon. Nog voor onze handen elkaar omklemden, wist ik al uit de onbegrijpende en licht verbaasde lichaamstaal van de andere dat ik me had vergist. Daarop volgde een beschuldigende grimas. Het kwam er dan op aan dapper te zijn en snel door te zetten met de reeds ingezette handomklemming, de andere ‘Al gezien vandaag toch?’ te horen uitstoten, voldoende luid opdat omstaanders het hoorden en de verantwoordelijke zouden kennen voor deze overtreding. Om dan tot slot de onwillige hand te lossen en zonder omkijken te vluchten uit dit specifieke onheil.

Er overviel me blinde paniek als ik onwetend op één van de onthande collega’s afstapte. Ik strekte mijn rechterarm. In een flits zag ik de volstrekt onlogische vervorming van hetgeen ik diende vast te grijpen.

Het vervolg ontdek je in #38 Het belang van het irrelevante.

Dit bericht delen